wat is
slechtziendheid?"Wie slecht ziet moet een
sterke bril dragen," wordt door veel mensen gedacht.
Soms klopt dat ook. Als iemand verziend of bijziend
is, wordt het beeld niet op het netvlies, maar
achter of voor het netvlies geprojecteerd. Men ziet
wazig.
Een bril of een contactlens verplaatst het
beeld naar de juiste plek op het netvlies en men
ziet weer goed. Boven de 40 jaar is de ooglens niet
meer elastisch genoeg om het oog op alle afstanden
scherp te stellen. Met een leesbril kunnen ook
objecten van dichtbij weer duidelijk gezien worden;
maar dit werkt alleen wanneer het oog verder gezond
is. Iemand die met een sterke bril nog goed kan zien
is niet slechtziend. Een bril vergroot dus niet en
sommige brillen verkleinen zelfs. Een bril zorgt er
alleen voor dat het beeld op de juiste plek op het
netvlies geprojecteerd wordt.
Bij oogziekten zoals maculadegeneratie, glaucoom en
retinitis pigmentosa raken bepaalde delen van het
netvlies of de oogzenuw beschadigd. Een bril kan dan
een scherp beeld op het netvlies projecteren, maar
men kan het beeld niet meer goed waarnemen. Bij
andere oogaandoeningen wordt de ooglens (cataract)
of het hoornvlies (corneadystrophie) troebel. Op het
netvlies ontstaat dan een wazig beeld. Soms kan
slechtziendheid ook het gevolg van een aandoening in
de oogzenuw zijn. Het oog ziet dan scherp, maar kan
het beeld niet naar de hersenen doorsturen.
Sommige oogaandoeningen veranderen de brilsterkte
wel. Met een nieuwe bril ziet men dan iets beter,
maar de gezichtsscherpte is nog steeds veel minder
dan bij mensen met gezonde ogen. De meeste
oogaandoeningen hebben geen invloed op de
brilsterkte. Wanneer het oog gezond was, zou men
dezelfde brilsterkte nodig hebben. Het is wel
belangrijk om ook bij slechtzienden de brilsterkte
exact te bepalen. Een bril kan weliswaar het
gezichtsvermogen niet volledig herstellen maar elke
kleine verbetering is belangrijk. Soms heeft iemand
juist een zwakkere bril nodig om beter te kunnen
zien.
Volgens de wet spreekt men van slechtziendheid, als
de gezichtsscherpte van het beste oog met bril of
contactlens maximaal 0,3 bedraagt. Mensen met een
zeer beperkt gezichtsveld en een normale
gezichtsscherpte zijn ook slechtziend
(kokergezichtsveld). Voor het uitoefenen van
bepaalde beroepen en voor het besturen van
voertuigen worden hogere eisen gesteld. De
gezichtsscherpte en het gezichtsveld zeggen echter
weinig over hoe iemand in zijn dagelijkse leven
functioneert en hoeveel hinder hij van zijn
verslechterde gezichtsvermogen ondervindt. Genoemde
normen worden daarom zelden heel strikt
geinterpreteerd.
WAT ZIEN SLECHTZIENDE MENSEN ?
Zien is een samenspel van veel verschillende
functies in onze ogen en ons lichaam. De
gezichtsscherpte en het gezichtsveld zijn het meest
bekend. Maar ook contrastzien, kleurenzien,
dieptezien, oogbewegingen, reflexen,
lichtgevoeligheid en het vermogen van het oog zich
op verschillende lichtsterktes en afstanden in te
stellen, spelen een belangrijke rol. Oogaandoeningen
veroorzaken een verslechtering van bepaalde
functies. Cataract (grijze staar) beïnvloedt
bijvoorbeeld de gezichtsscherpte, het contrastzien
en de lichtgevoeligheid. Maculadegeneratie tast het
centrale gezichtsveld en de gezichtsscherpte aan.
Wat een slechtziende nog kan zien is dus afhankelijk
van de oogaandoening en hoe ver deze gevorderd is.
Voor een buitenstaander kan dat vaak heel moeilijk
te begrijpen zijn. Waarom valt iemand over een stoel
die hij niet ziet, maar ziet hij wel een speldje op
de grond liggen? Waarom loopt iemand probleemloos op
straat, maar herkent niet de gezichten van
voorbijgangers? Waarom draagt iemand buiten altijd
een donkere bril maar gebruikt hij bij het lezen een
sterke lamp? Aan de hand van de oogaandoening zijn
deze verschijnselen allemaal te verklaren. Om te
kunnen beoordelen, hoeveel een slechtziende nog kan
zien, zijn dus veel meer metingen nodig dan alleen
de gezichtsscherpte.
WAT KUNT U DOEN WANNEER HET GEZICHTSVERMOGEN
VERSLECHTERT?
Het is zeer belangrijk dat de oogarts vaststelt wat
de oorzaak van de vermindering van het
gezichtsvermogen is. Bij sommige oogafwijkingen,
bijvoorbeeld cataract (grijze staar), is de oorzaak
met een operatie te verhelpen. Bij andere
oogafwijkingen, bijvoorbeeld glaucoom, is een
medische behandeling heel belangrijk om een verdere
verslechtering van het gezichtsvermogen te
voorkomen. Alleen de oogarts kan beoordelen wat de
juiste behandeling van uw oogafwijking is. Heeft de
oogarts vastgesteld dat het gezichtsvermogen niet
meer door medische behandelingen te verbeteren is,
dan zal hij/zij de patiënt meestal zelf naar een
low-visionspecialist verwijzen. Indien u niet
verwezen bent en toch hinder door uw verminderd
gezichtsvermogen ondervindt, kunt u zelf contact met
O.O.G. opnemen.