het low vision
onderzoekBij
het low vision onderzoek wordt vastgesteld, of een
verbetering met een optisch gezichtshulpmiddel
mogelijk is en wat voor u het meest geschikte
hulpmiddel is.
Het onderzoek begint met een gesprek. De low vision
specialist moet weten hoe bekend u met uw
oogaandoening bent en welke hinder u in het
dagelijks leven van ondervindt. Verder wordt
besproken welke brillen en hulpmiddelen u reeds
gebruikt en hoe deze voldoen. Het is daarom
belangrijk om alle brillen en reeds bestaande
hulpmiddelen mee te brengen. Bij grote hulpmiddelen
zoals TV-loepen en loeplampen kunt u het beste merk
en model opschrijven.
In het tweede gedeelte van het onderzoek worden
metingen verricht. Uw gezichtsscherpte en
brilsterkte wordt gemeten, het gezichtsveld getest
en de benodigde vergroting bepaald. De samenwerking
tussen beide ogen wordt beoordeeld. Soms zijn nog
andere aanvullende metingen noodzakelijk.
Misschien vraagt u zich af waarom al deze metingen
opnieuw nodig zijn; de oogarts heeft toch alles
reeds opgemeten. De oogarts voert echter metingen
uit om een diagnose te bepalen. Het doel van het
low-vision-onderzoek is het bepalen van het juiste
hulpmiddel. De metingen zullen daarom ook op een
iets andere manier uitgevoerd worden.
In het derde gedeelte van het onderzoek zal de low
vision specialist testopstellingen maken van een
aantal mogelijke hulpmiddelen. U kunt dan zelf zien,
welke mogelijkheden de hulpmiddelen hebben. In
overleg met de low vision specialist kunt u dan het
juiste hulpmiddel kiezen.
Aan het eind van het onderzoek krijgt u ook alle
nodige informatie over eventuele vergoedingen voor
hulpmiddelen. Vanzelfsprekend is er voldoende ruimte
om vragen te stellen. Het onderzoek duurt 1 - 1,5
uur.